SESSİZ GEMİ
Artık demir almak günü gelmişse zamandan,
Meçhûle giden bir gemi kalkar bu limandan.
Hiç yolcusu yokmuş gibi sessizce alır yol;
Sallanmaz o kalkışta ne mendil ne de bir kol.
Rıhtımda kalanlar bu seyâhatten elemli,
Günlerce siyah ufka bakar gözleri nemli.
Bîçâre gönüller! Ne giden son gemidir bu!
Hicranlı hayâtın ne de son matemidir bu!
Dünyâda sevilmiş ve seven nâfile bekler;
Bilmez ki giden sevgililer dönmiyecekler.
Bir çok gidenin her biri memnun ki yerinden,
Bir çok seneler geçti; dönen yok seferinden.
© Yahya KEMAL BEYATLI, 1961
Kendi Gök Kubbemiz Yahya Kemal Enstitüsü İstanbul HET STILLE SCHIP
Als eindelijk de dag aanbreekt om ’t anker uit de tijd te lichten
Verlaat een naar het onbekende koersend schip de haven.
Stil, als was geen mens aan boord, begeeft het zich op weg;
Geen zakdoek, noch een hand, wuift er bij dat vertrek.
Vol van weemoed om de reis staan zij die bleven op de kade,
Dagenlang staren hun vochtige ogen naar de donkere verte.
Arme zielen! Dit schip is immers niet het laatste dat zal gaan!
Noch is dit verdriet het laatste van het smartelijk bestaan!
Tevergeefs wachten op de wereld de beminden en de minnenden;
Niet beseffend dat de vertrokken geliefden nooit weer zullen keren.
Van de velen die zijn afgereisd moet een ieder daar wel geluk ervaren,
Vele jaren zijn vergaan; niemand kwam van die tocht teruggevaren.
© Sytske Sötemann, 2004
Proefschrift