Sytske Sötemann

Turkse poëzie in Nederlandse vertaling

Hollandaca'da Türkçe şiir




Yahya KEMAL BEYATLI


AÇIK DENİZ

Balkan şehirlerinde geçerken çocukluğum; 
Her lâhza bir alev gibi hasretti duyduğum. 
Kalbimde vardı “Byron”u bedbaht eden melâl.
Gezdim o yaşta dağları, hulyâm içinde lâl, 
Aldım Rakofça kırlarının hür havâsını, 
Duydum akıncı cedlerimin ihtirâsını, 
Her yaz, şimâle doğru asırlarca bir koşu, 
Bağrımda bir akis gibi kalmış uğultulu... 
Mağlûpken ordu, yaslı dururken bütün vatan, 
Rü’yâma girdi her gece bir fâtihâne zan. 
Hicretlerin bakıyyesi hicranlı duygular, 
Mahzûn hudutların ötesinden akan sular, 
Gönlümde hep o zanla berâber çağıldadı, 
Bildim nedir ufuktaki sonsuzluğun tadı! 
Bir gün dedim ki istemem artık ne yer, ne yâr! 
Çıktım sürekli gurbete gezdim diyâr diyâr; 
Gittim o son diyâra ki serhaddidir yerin, 
Hâlâ dilimdedir tuzu engin denizlerin. 

Garbın ucunda, son kıyıdan en gürültülü 
Bir med zamânı, gökyüzü kurşunla örtülü, 
Gördüm deniz dedikleri bin başlı ejderi; 
Gördüm güzel vücudunu zümrütliyen deri 
Keskin bir ürperişle kımıldandı anbean; 
Baktım ve anladım ki o ejderdi canlanan. 
Sonsuz ufuktan âh o ne coşkun gelişti o! 
Birden nasıl toparlanarak kükremişti o! 
Yelken, vapur, ne varsa kaçışmış limanlara, 
Yalnız onundu koskoca meydan ve manzara! 
Yalnız o kalmış ortada âsî ve bağrı hûn, 
Bin mağara ağzı açmış, ulurken uzun uzun, 
Sezdim bir âşinâ gibi, heybetli hüznünü! 

Rûhunla karşı karşıya kaldım o med günü, 
Şekvânı dinledim, ezelî muztarip deniz! 
Duydûm ki rûhumuzla bu gurbette sendeniz. 
Dindirmez anladım bunu hiç bir güzel kıyı; 
Bir bitmeyen susuzluğa benzer bu ağrıyı.

© Yahya KEMAL BEYATLI, 1961
Kendi Gök Kubbemiz   Yahya Kemal Enstitüsü İstanbul

HOGE ZEE

In mijn jonge jaren die ik doorbracht in de Balkansteden;
Voelde ik ononderbroken een vlammend verlangen.
De melancholie die Byron bedroefde, heerste in mijn hart.
Op die leeftijd zwierf ik verstild in dagdromerij in de bergen,
Ademde ik de vrije lucht van de velden rond Rakofça,
Ervoer ik de hartstocht van mijn voorouders in galop,
Eeuwenlang elke zomer een stormloop naar het noorden,
Als een echo bleef dat gedaver weergalmen in mijn borst...
Toen het leger was verslagen, het hele land in rouw gedompeld,
Droomde ik iedere nacht van de gedachte aan overwinning.
Van de lange vluchten restte slechts de pijn van de scheiding,
De stromende wateren aan de andere zijde van de droevige grenzen,
Ruisten steeds samen met die gedachten in mijn hart,
Ik kende die smaak van oneindigheid aan de horizon!
Op een dag wilde ik mij niet langer binden aan een plek of een vriend!
Ik vertrok voorgoed naar den vreemde, ik reisde van land naar land;
Ik ging naar dat laatste land naar waar van de aarde de grens was.
Op mijn tong ligt nog altijd het zout van de wijde zeeën!

Aan de rand van het westen tumultueus een vloed
Van zijn laatste kust, de hemel bedekt met loodgrijs,
Ik zag de duizendkoppige draak die men zee noemt;
Ik zag zijn prachtige lijf en zijn huid van smaragd,
Met een heftige rilling kwam hij hoger in beweging;
Ik keek en begreep dat deze draak tot leven kwam.
O welk een kolkende komst van de eindeloze verten!
Hoe hij zich plotseling vermande en brulde!
Zeilboten, schepen, alles vluchtte in paniek de havens in,
Alleen aan hem behoorden de ontzaglijke ruimte en het schouwspel!
Alleen hij bleef zichtbaar, opstandig en zijn boezem bloeddorstig,
Zijn muil geopend in duizend grotten, langgerekt brullend,
Als een oude bekende bespeurde ik zijn ontzagwekkende treurnis!

Die dag van de vloed stond ik oog in oog met jouw ziel,
Hoorde ik jouw jammerklacht, eeuwig zuchtende zee!
Voelde ik dat wij met onze ziel jou in den vreemde toebehoren.
Geen enkele mooie kust, begreep ik, is in staat,
Deze smart te stillen, een onlesbare dorst.

© Sytske Sötemann, 2004  
Proefschrift