Sytske Sötemann

Artikelen etc.

Yazılar v.s.


Artikelen


 

Mythologie en politiek in de poëzie van de Turkse dichter Nâzım Hikmet

2009
Amsterdam
Perdu

Deze lezing over 'Mythologie en politiek in de poëzie van de Turkse dichter Nâzım Hikmet,' heb ik gehouden op verzoek van de stichting Perdu in het kader van het 'Literair Podium'. Iedere vrijdagavond verzorgt de Avondenredactie van Perdu een programma over ontwikkelingen in de Nederlandse en buitenlandse literatuur en poëzie, soms in combinatie met andere kunstdisciplines. Zie www.perdu.nl

Graag wil ik u vanavond behalve óver poëzie vertellen, ook laten genieten van de poëzie zelf, daarom nodig ik u uit om eerst maar eens te luisteren naar de volgende Oproep van Nâzım Hikmet:
 
Davet
Dörtnala gelip Uzak Asya'dan
Akdeniz'e bir kısrak başı gibi
uzanan
bu memleket bizim.

Bilekler kan içinde, dişler kenetli,
ayaklar çıplak
ve ipek bir halıya benzeyen toprak,
bu cehennem, bu cennet bizim.

Kapansın el kapıları, bir daha
açılmasın,
yok edin insanın insana kulluğunu,
bu dâvet bizim.

Yaşamak bir ağaç gibi tek
ve hür
ve bir orman gibi kardeşçesine,
bu hasret bizim.

Oproep
In galop uit het Verre Azië en reikhalzend
als het hoofd van een merrie
naar de Middellandse Zee,
dit land is het onze.

De vuisten in bloed, de tanden opeen geklemd,
de voeten ontbloot
en de aarde gespreid als een zijden tapijt,
deze hel, deze hemel is de onze.

Sluit de huizen van de uitbuiters, laat ze niet
opnieuw ontsluiten,
maak een einde aan de slavernij van mens tot mens,
deze oproep is de onze.

Leven als een boom, alleen
en vrij
en als een bos in broederschap,
dit verlangen is het onze.

In deze vier strofen van elk vijf regels in eenvoudige taal zonder eindrijm is de mythe van de Turkse oorsprong en het Turkse bestaan al helemaal gevat:
In galop uit het Verre Azië en reikhalzend
als het hoofd van een merrie
naar de Middellandse Zee,
dit land is het onze.
In deze eerste strofe refereert de dichter aan de lange reis te paard van de Turkse nomaden, helemaal uit de Altai aan de rand van de Gobi-woestijn, dwars door Centraal Azië tot in Anatolië aan de Middellandse Zee, en zelfs verder naar het zuiden en westen, tot aan de uiterste grenzen van het Osmaanse rijk in de bloeitijd van de 16e eeuw.
De vuisten in bloed, de tanden opeen geklemd,
de voeten ontbloot
en de aarde gespreid als een zijden tapijt,
deze hel, deze hemel is de onze.
In deze tweede strofe wordt verteld dat de lange tochten en de daarmee gepaard gaande veroveringen niet zonder slag of stoot zijn verlopen, in tegendeel, zij hebben bloed, zweet en tranen gekost. Maar ondanks de barre omstandigheden, blootsvoets, en dankzij het uithoudingsvermogen, de tanden op elkaar, hebben de Turken deze schitterende aarde in bezit kunnen nemen. Ze zijn beloond en hebben gezegevierd.
Sluit de huizen van de uitbuiters, laat ze niet
opnieuw ontsluiten,
maak een einde aan de slavernij van mens tot mens,
deze oproep is de onze.
In deze derde strofe zien we echter dat de strijd bepaald nog niet gestreden is, hier klinkt namelijk de oproep van de dichter tot de sociaal-politieke strijd. De vijand is niet langer de vreemdeling buiten Turkije, maar hij is nu onder de Turken zelf. De kapitalistische machthebbers zijn de uitbuiters van de arme boeren en arbeiders. De communistische strijd voor een sociale omwenteling dient te worden gevoerd.
Leven als een boom, alleen
en vrij
en als een bos in broederschap,
dit verlangen is het onze.
Deze vierde strofe is beroemd, tot op de dag van vandaag wordt die aangehaald en gezongen. Hierin schildert de dichter het c.q. zijn menswaardige doel: vrijheid, gelijkheid en broederschap!
Dit kleine gedicht kan symbool staan voor de poëzie die Nâzım Hikmet sinds 1920 maakte, toen hij afscheid nam van zijn eerdere liefdeslyriek. Niet alleen de inhoud ervan, maar ook de vorm is revolutionair, namelijk zonder eindrijm of andere klassieke vormnormen, zoals bijvoorbeeld het kwantitatief metrum, waarbij korte en lange lettergrepen elkaar in bepaalde patronen afwisselen. Tevens weerspiegelt het de levenshouding van de dichter zelf.
Als we Nâzım Hikmet dan ook recht willen doen met een omschrijving, komen we er niet onderuit om zowel de aspecten van zijn leven als die van zijn schrijverschap, verweven als deze zijn, te benoemen.
In de allereerste plaats is hij in de Turkse poëzie de eerste avant-gardist, waarbij hij niet alleen rond voor zijn communistische sympathieën uitkwam, maar daar met zijn poëzie tevens propaganda voor voerde. (Overigens is dat laatste, politiek bedrijven met behulp van poëzie, waarbij het gedicht dus als voertuig voor de boodschap dient, bepaald geen unicum in de Turkse poëzie. Maar je moet als dichter van goede huize komen, wil dat tot goede poëzie leiden. En Nâzım was een heel goede dichter).

Hij heeft voor zijn werk en opvattingen in het anticommunistische en extreem autocratisch geregeerde Turkije stevig moeten boeten, ongeveer een derde van zijn leven bracht hij achter de tralies van Turkse gevangenissen door. Na zijn vervroegde vrijlating dankzij een generaal pardon bleef hem in 1951 ten slotte niets anders over dan het land uit vluchten om een zekere dood door moord te ontlopen. Op een nacht stapte hij met een vriend in een bootje om over de Zwarte Zee naar de Sovjet Unie te varen, en vandaar naar Moskou te reizen, waar hij tot zijn dood in 1963 heeft gewoond. Dat hij nog over de zestig is geworden mag wel een wonder heten, met zijn zwakke gezondheid en na alle ontberingen.

Nâzım Hikmet is door dit alles zelf tot een mythe geworden, een mythe van deze tijd. Hij en zijn werken waren tientallen jaren, ruim een derde deel van de twintigste eeuw, volstrekt taboe in de Turkse Republiek. Allerminst onder de mensen, maar des te meer bij de Turkse overheid, die hem immers beschouwde als een gevaarlijke communist, die niet alleen heulde met de vijanden van de staat, maar die met zijn geschriften zelfs tot revolutie aanzette.
De poëzie van Hikmet bleef officieel verboden in Turkije tot 1965. Maar nog geen vier jaar geleden, dus in 2005, moest een 17-jarige jongen tekst en uitleg geven aan de politie, nadat hij op school gedichten van Hikmet had voorgelezen.
Dat zal niet meer gebeuren nu de Turkse regering hem op 5 januari van dit jaar officieel zijn staatsburgerschap heeft teruggegeven. Weliswaar 45 jaar na zijn dood, en 58 jaar nadat deze rechten hem ontnomen waren, maar het is geschied.
Toch hebben zijn gevangenschap, ballingschap en het verbod op zijn werk niet alleen de dichter zelf van zijn persoonlijke vrijheid beroofd, maar tevens de invloed die hij had kunnen hebben op de ontwikkeling van de Turkse poëzie aanzienlijk beperkt.
Wel kreeg Nâzım Hikmet dankzij zijn ballingschap de gelegenheid om internationaal bekende kunstenaars buiten Turkije te ontmoeten, zoals in Parijs bijvoorbeeld de dichters Pablo Neruda en Aragon, en de schilder Picasso. Een bepaald stimulerend gezelschap voor een verklaard modernist, en dus internationalist, als Hikmet.
Die ballingschap is bovendien en ongetwijfeld een belangrijke reden geweest voor zijn bekendheid, als een van de zeer weinige Turkse dichters, in de rest van de wereld. En dat terwijl de poëzie in Turkije nota bene het meest beoefende literaire genre is onder alle lagen van de bevolking.
Het geval Hikmet bewijst hoe moeilijk Turkije het altijd heeft gehad met schrijvers en artiesten die op een andere manier denken dan de overheid. Hikmet is overigens niet de enige die in aanvaring kwam met de autoriteiten. De auteur Yaşar Kemal moest terechtstaan toen hij kritiek leverde op de manier waarop het Turkse leger oorlog voerde tegen de PKK van Abdullah Öcalan. En de Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk kreeg een proces aan zijn broek na uitspraken in een vraaggesprek over de slachtpartijen onder Armeniërs aan het einde van het Osmaanse Rijk.
‘...Ze zijn bang voor onze liederen...’, schreef Nâzım Hikmet ooit. Maar voor de meeste Turken is zijn poëzie een begrip, een uitdrukking van hoop, een dichterlijk gevecht om vrijheid.

Hoe is het zo gekomen?
Nâzım Hikmet, die in 1918, op zestienjarige leeftijd, zijn eerste gedicht publiceerde, bracht zijn jonge jaren door in het door de Geallieerden bezette Istanbul. Tijdens de bezettingsjaren was hij student aan de Militaire Academie. Toen hij aan het einde van zijn opleiding stage liep als marineofficier werd hij wegens gezondheidsredenen uit het leger ontslagen. In deze tijd namen in zijn poëzie ´vaderlandsliefde en opstand´ de plaats in van de jeugdthema’s ‘melancholie, hopeloosheid en liefde.’ In 1920 vertrok hij samen met zijn vriend Vâlâ Nurettin, naar Ankara om deel te nemen aan de Onafhankelijkheidsoorlog, die Kemal Pasja, de latere Atatürk (Vader der Turken), daar was begonnen, teneinde Anatolië terug te veroveren en tot één land te maken.

Tijdens deze lange en vermoeiende reis kwam Nâzım voor het eerst in aanraking met de armoede in de Anatolische dorpen en steden. Eenmaal in Ankara aangekomen, worden de twee vrienden direct doorgestuurd naar Bolu, een stad in Noord Anatolië. Nâzım en Vâlâ hadden tijdens hun reis naar Ankara Turkse studenten ontmoet die net uit Berlijn waren teruggekeerd en daar waren beïnvloed door de opstand van de Spartakisten, van hen leerden zij het marxisme kennen. Wat ze vervolgens in Bolu over de Russische Revolutie vernemen, doet hun belangstelling voor dit land verder toenemen. Ondertussen wordt Nâzım, die uit een kosmopolitische en aristocratische familie stamt, in Anatolië geconfronteeerd met een totaal andere wereld, in zijn autobiografie vertelt hij over deze ervaringen als volgt:

“Ik was verbaasd, ik was bang, ik had lief, ik verloor het bewustzijn en ik besefte dat ik dit alles anders moest verwoorden, maar ik kon het niet... Ik besefte dat via de poëzie nieuwe dingen onder woorden gebracht moesten worden, dingen die tot dan niet gezegd waren.”

De in Istanbul begonnen reis van de twee vrienden, die in politiek opzicht gaandeweg radikaliseerden, eindigde in 1921 in Moskou. Nâzım schrijft er zich in als student aan de Communistische Oosterse Arbeidersuniversiteit. Ook dit verblijf zal sporen nalaten in zijn poëzie, hij begint in die tijd Turkse poëzie te schrijven met een vrij metrum. Deze fase in zijn dichterschap getuigt van een grote invloed van het mechanische theater van de beroemde regisseur Meyerhold, en van het futurisme van de Russische dichter Vladimir Majakovski. Na zijn eerste gedicht met een vrij metrum, gaf Nâzım te kennen dat hij weliswaar niet in staat was om de poëzie van Majakovski te lezen, eenvoudig omdat hij het Russisch toen niet machtig was, maar dat zijn stijl wel degelijk door deze dichter was beïnvloed. Hij imiteert bijvoorbeeld Majakovski’s ‘trapvormige’ verzen, en spreekt, naar voorbeeld van de futuristen, zijn bewondering uit voor de moderne technologie. Het Russische modernisme, dat dan juist zijn gouden jaren beleeft, vormde zo de leerschool voor Nâzım Hikmet. De Russische avant-garde, nog niet bezoedeld door tirannieke staatsideologie, en vooral het theater van Meyerhold, hebben op Nâzıms geestelijke en artistieke ontwikkeling een blijvend stempel gedrukt.
Zo wilde Nazım ook dichten: een revolutionaire inhoud gedragen door een revolutionaire, want nieuwe, vorm. De eerste avant-gardist van de Turkse poëzie was geboren.

Hij verschilt echter van Majakovski, omdat hij in de traditie schrijft van de Turkse volkspoëzie, die vaker gebruik maakt van rijm, of assonantie en de nadruk legt op harmonie en muzikaliteit. Geen imitator!
Zo koos hij niet voor de taal van de elite in Istanbul, maar voor het literaire gebruik van het eenvoudige Turks dat op het platteland in de zogenaamde taşra van Anatolië werd gesproken.
Hij liet zich inspireren door de Turkse volksverhalen over de nomadische voorouders en de harde strijd om het bestaan in Anatolië, waar landheren de dienst uitmaakten, waar vetes en oorlogen werden uitgevochten, waar meisjes werden geschaakt om – meestal tevergeefs – uithuwelijking te voorkomen, en jongens na een verloren liefde de bergen introkken om het struikroverpad te kiezen.

De gedichten uit zijn rijpere periode, schreef Hikmet in de verschillende gevangenissen waar hij in de loop der jaren verbleef. In de gevangenis van Bursa begon hij aan het epische gedicht Mensenlandschappen, dat we met een gerust hart hét moderne epos van Anatolië kunnen noemen. Hij schreef de gedachten neer van boeren, dagloners, arbeiders en soldaten. Hij gaf zijn medegevangenen een stem, vertaalde hun verhalen in poëzie, zette ze om in traditionele en avant-gardistische beelden.
Uit Mensenlandschappen komt het volgende fragment, waarin een vrouwenkaravaan tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in de nacht via Akşehir naar Afyon - in Midden Anatolië - trekt:

De vertaling van onder meer Wim Keurentjes verscheen bij De Geus, en is inmiddels herdrukt.
Ve kadınlar,
bizim kadınlarımız :
korkunç ve mübarek elleri,
ince, küçük çeneleri, kocaman gözleriyle
anamız, avradımız, yârimiz
ve sanki hiç yaşamamış gibi ölen
ve soframızdaki yeri
öküzümüzden sonra gelen
ve dağlara kaçırıp uğrunda hapis yattığımız
ve ekinde, tütünde, odunda ve pazardaki
ve karasapana koşulan
ve ağıllarda
ışıltısında yere saplı bıçakların
oynak, ağır kalçaları ve zilleriyle bizim olan
kadınlar,

bizim kadınlarımız
şimdi ayın altında
kağnıların ve hartuçların peşinde
harman yerine kehribar başaklı sap çeker gibi
aynı yürek ferahlığı,
aynı yorgun alışkanlık içindeydiler.
Ve on beşlik şarapnelin çeliğinde
ince boyunlu çocuklar uyuyordu.
Ve ayın altında kağnılar
yürüyordu Akşehir üstünden Afyon’a doğru.

En de vrouwen
zijn onze vrouwen:
met hun grove en gezegende handen
hun kleine fijne kinnen, hun grote ogen
onze moeders, onze echtgenoten, onze geliefden,
zij die sterven alsof ze nooit geleefd hebben
en wier plaats aan onze tafel
komt na die van de ossen
en die wij naar de bergen ontvoeren en voor wie wij in de gevangenis zitten
en zij bij het koren, bij het tabak, bij het brandhout, op de markt
en zij die voor de ploeg gespannen worden
en zij die dansen binnen de omheiningen
bij het geblikker van in de grond geplante messen
met hun beweeglijke zware heupen en hun duimrinkels
zijn onze vrouwen

onze vrouwen
volgden nu in het maanlicht
de ossenkarren en de explosieven
als brachten ze goudgeel graan naar de dorsvloer
met dezelfde blijmoedigheid
en dezelfde vermoeide vanzelfsprekendheid.
En op het staal van de granaten
lagen de kinderen met magere nekken te slapen.
En in het maanlicht trokken de ossenkarren voort
via Akşehir naar Afyon.

Een enigszins vergelijkbaar, maar veel kleiner werk, dat zowel poëzie als proza bevat, schreef Nazım Hikmet tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Bursa in 1936: het Epos van sjeik Bedreddin (Şeyh Bedreddin Destanı). Het wordt beschouwd als een nieuwe fase in zijn poëzie. De schrijver en literatuurwetenschapper Nedim Gürsel, deelt de mening dat de dichter met dit werk “zijn futuristische periode voorgoed achter zich heeft gelaten.”
Deze autobiografische ‘raamvertelling’ over Sjeik Bedreddin is in diverse opzichten illustratief voor het leven en werk van Nâzım Hikmet.

Het onderwerp van het Epos van sjeik Bedreddin is een boerenopstand aan het eind van de 14e eeuw. De theoloog Sjeik Bedreddin, aanvankelijk een orthodoxe islamgeleerde, ontwikkelde zich steeds verder in de richting van een onorthodoxe variant van de islam, en hij begon propaganda te maken voor het collectieve bezit in Anatolië. Om die reden werd hij door de Osmaanse sultan als balling verdreven naar het stadje İznik in West-Anatolië, waar hij contacten legde met Börklüce Mustafa en Torlak Kemal, de leiders van een grootschalige boerenopstand. De opstand, waaraan tienduizenden Christelijke, Islamitische en Joodse Turken deelnamen, werd echter hardhandig en wreed de kop in gedrukt. Na een tweede poging tot opstand staat Bedreddin terecht en wordt zonder pardon, evenals zijn kameraden, opgehangen.
Voor het beschrijven van deze boerenopstand maakt Hikmet gebruik van de orale en schriftelijke verteltraditie, terwijl hij tevens probeert de historische gebeurtenissen met de moderne communistische beweging te verenigen.
De strijd voor de onderdrukten tegen de onderdrukkers heeft het leven van de sjeik in de 14e eeuw en dat van de dichter in de twintigste eeuw evenzeer getekend. Bedreddin voerde de gewapende strijd tegen de Osmaanse sultan en diens landheren en moest dat met een veel te vroege dood door ophanging bekopen. Nâzım voerde zijn pennenstrijd tegen het autocratische regime van de Turkse Republiek en moest daarvoor lange tijd in gevangenschap en ballingschap doorbrengen.

Hikmet leidt het epos van Bedreddin in als een verhaal, een verhaal om te vertellen, zoals men dat nog heel lang gewoon was, en ook wel is, in Turkije, zeker op het ongeletterde platteland.
Zo begint het:
“Ik zat te lezen in “Bedreddin, zoon van de kadi te Simavne”, een verhandeling van Mehemmed Şerefeddin Efendi, professor in de Heilige Schrift aan de Theologische Faculteit van de Universiteit, en gepubliceerd in het jaar 1341/1925 bij de drukkerij van de Islamitische Stichting. Ik was op bladzijde vijfenzestig, waar Dukas – in dienst als secretaris van de Genuezen – het volgende zegt:
“In die tijd verscheen er een eenvoudige Turkse boer in de bergachtige landstreek aan de ingang van de Ionische Baai, die in de volksmond Stilarium - Karaburun [Zwarte Neus] wordt genoemd. Stilarium ligt tegenover het eiland Chios. Die boer preekte voor de Turken, gaf hun raad en zei dat, met uitzondering van vrouwen, alle dingen zoals voedsel, kleding, vee en land als publiek eigendom van de gehele gemeenschap zouden moeten worden beschouwd.”
Vervolgens weidt de dichter uit over het boerensocialisme, vergelijkt dat met de sociale strijd in de huidige tijd, en zet op deze wijze direct de toon: "Ik ga jullie een verhaal vertellen over een strijd, een strijd in onze eigen geschiedenis, maar die nog altijd niet gestreden is, want ook wij voeren die."
Dan keert hij terug naar zijn eigen omstandigheden:
“Ik sloeg de verhandeling dicht. Mijn ogen brandden, maar ik had geen slaap. Ik keek op de stationsklok die aan een spijker boven mijn bed hing. Bijna twee uur. Een sigaret. Nog een sigaret. Ik luisterde naar de verschillende geluiden in de hete, stille lucht van de cel, die de zware geur had van stilstaand water. De cel, met zijn zwetende beton en behalve mij nog achtentwintig mensen, sliep. De wachters in de torens lieten hun fluiten weer horen, vannacht nog vaker en nog doordringender. Telkens wanneer de fluiten als een gek tekeergaan zoals nu, mogelijk zonder enige reden, dan denk ik dat ik mij in een donkere nacht op een zinkend schip bevind.”

En zo wisselt hij dat wat hij leest in de verhandeling over het leven van Bedreddin af met de situatie waarin hijzelf op dat ogenblik verkeert. Zijn vermoeidheid en hoofdpijn nemen toe, hij verlangt naar de Anatolische liedjes die hem zouden kunnen troosten.
En terwijl hij verder leest, hoort hij plotseling een stem die hem uitnodigt mee op pad te gaan naar Bedreddin en zijn kompanen. Als hij door de tralies heen naar buiten kijkt, waar de gevangenen alleen de zee kunnen zien, ziet hij een figuur in een naadloze witte jurk, het kleed van een derwisj, die blijkbaar over de golven naar hem is toegekomen om hem op te halen.

En hij besluit zijn voorwoord als volgt:
“Mijn hoofdpijn was plotseling verdwenen. Ik stond op van mijn bed en liep naar degene in het raam. Hij nam me bij de hand. We verlieten de slapende cel met het zwetende beton en de overige achtentwintig personen. Plotseling trof ik mezelf aan op de rotsen die we nooit kunnen zien, bij de plek waar de zee onze muur raakt, zij aan zij met de volgeling van Börklüdje. We begaven ons, terwijl we stilletjes over de golven van de donkere zee voeren, naar jaren geleden, eeuwen terug, naar de tijd van Kroonprins Mehmet.
En deze reis is het avontuur waarover ik u wil vertellen. Het schouwspel van geluiden, kleuren, bewegingen en vormen dat ik op deze reis zag, zal ik stukje bij beetje proberen te beschrijven in grotendeels – volgens een aloude gewoonte – geordende lange en korte regels en af en toe op rijm.”

Hier begint het eigenlijke verhaal over de wederwaardigheden van Bedreddin, en de dichter is nu zelf een van zijn volgelingen.
In 14 genummerde hoofdstukjes, waarin poëzie en proza elkaar afwisselen, vertelt hij over wat hij ziet en meemaakt, over alle betrokken partijen:
de sultanzonen die in weelde leven,
de arme bevolking die honger lijdt op de uitgedroogde aarde,
de leidende kameraden die voortdurend op de vlucht zijn, en die zich ten slotte met tienduizenden van hun aanhangers verzamelen in het Dwaze Bos, waar ze door de soldaten van de sultan in de pan worden gehakt.

Zowel in het proza als in de poëzie gebruikt Hikmet de verteltechnieken van de volksverhalen:
eenvoudige spreektaal, herhalingen, assonanties en ritmiek.
Ook de omgeving is een personage, waarin de menselijke omstandigheden zich spiegelen.

Hoofdstuk 2 bestaat als geheel uit het volgende gedicht:
Dit is het Meer van Iznik.
Het is kalm.
Donker.
Diep.
Het is als een bron
in de bergen.

Onze meren van hier
zijn dampig.
Hun vis smaakt naar niets,
hun moerassen verwekken malaria,
en de mens van het meer
sterft voordat zijn baard grijs wordt.

Dit is het Meer van Iznik.
Aan zijn oever ligt de stad Iznik.
In de stad Iznik
is het aambeeld van de smeden als een gebroken hart.
De kinderen hebben honger.
De boezem van de vrouwen lijkt op verdroogde vis.
En de jongeren zingen niet.

Deze plaats is de stad Iznik.
Dit huis is een huis in de gildenwijk.
In dit huis
woont een oude man Bedreddin geheten.
Hij is klein van stuk
maar zijn baard is groot
zijn baard is wit.
Hij heeft schrandere scheve kinderogen,
en gele vingers als rietstengels.
Bedreddin
zit op een witte
schapenvacht.
Hij schrijft in Perzisch schrift
zijn ‘Ingevingen’.

Zij zitten voor hem geknield
en kijken naar hem
zoals men stil een berg aanschouwt.
Hij kijkt:
de lange magere Börklüdje Mustafa
geschoren hoofd
borstelige wenkbrauwen
Hij kijkt:
de haviksneus Torlak Kemal…
Zonder verveeld te raken
zonder genoeg te krijgen van het kijken
kijken ze naar Bedreddin de balling van Iznik…”

In de volgende hoofdstukken wordt de lange en moeilijke tocht beschreven naar het Dwaze Bos. Zij reizen vooral ’s nachts vanwege het gevaar ontdekt en opgepakt te worden, de sultantroepen zitten hen op de hielen.
In hoofdstuk 11 worden verleden en heden, politieke praktijk en theorie in proza vermengd en samengevat:
Ik lees het begin en het einde:
“Bayezid Pasja was naar Manisa gekomen, had Torlak Kemal daar gevonden en hem opgehangen.
Mijn gids en ik trokken door de tien provincies. Boven onze hoofden zweefden de gieren die van tijd tot tijd onder het slaken van vreemde kreten naar beneden doken, de donkere dalen in, en op de verse lijken van vrouwen en kinderen landden waarvan het bloed nog niet was opgedroogd. Langs de wegen, onder de zon, lagen de lijken van jonge en oude mannen uitgestrekt, maar dat de voorkeur van de vogels alleen naar het vlees van vrouwen en kinderen uitging toonde aan hoe volgevreten zij waren."
Het hoofdstuk besluit als ze zijn scheep gegaan:
“De zee was ruw. Ik keek naar de schipper. Hij leek op een plaatje dat ik van de binnenkant van de kaft van een Duits boek had gescheurd en in mijn cel had opgehangen. Zijn dikke snor was zwart als ebbenhout, zijn baard breed en spierwit. Een dergelijk open en sprekend voorhoofd had ik nog nooit van mijn leven gezien.
Wij hadden het midden van de Bosporus bereikt, de zee stroomde onophoudelijk, terwijl in het loodgrijze weer het water schuimend onder ons bootje door golfde zei onze op het plaatje in mijn cel lijkende schipper:
– “De vrije mens en de slaaf, de patriciër en de plebejer, de landheer en de dienaar, de meester en de leerling, kortom de onderdrukkers en de onderdrukten, stonden voortdurend in tegenstelling tot elkaar en zetten soms heimelijk, soms openlijk hun onophoudelijke strijd voort.”

Deze onomwonden uiteenzetting lijkt me nauwelijks voor meerdere uitleg vatbaar.

In het nawoord onder de titel:
HET HEMD VAN DE BANKWERKER SJEFIK
komt de aap uit de mouw:
“Ik vertelde Sjefik mijn nachtelijk avontuur:
“Heus”, zei ik, “ik heb het met mijn eigen ogen gezien. Echt waar. Hij kwam achter dat raam tevoorschijn. Hij had een wit overhemd aan uit één stuk. Hij nam me bij de hand. De hele reis heb ik naast hem, of eigenlijk onder zijn begeleiding gemaakt…”
De bankwerker Sjefik schoot in de lach. Terwijl hij mij het raam liet zien, zei hij:
– “Jij hebt de reis niet gemaakt met de volgeling van Mustafa, maar met mijn overhemd. Kijk, ik had het gisterenavond opgehangen. Het hangt er nog steeds…”
Ik lachte nu ook. Ik haalde het overhemd van de bankwerker Sjefik, dat mij naar de beweging van Bedreddin, de zoon van de kadi te Simavne, had geleid, van de tralies. Şefik trok zijn overhemd aan. Alle celkameraden hadden het verhaal over ‘mijn reis’ gehoord. Ahmed zei:
– “Schrijf dat maar op. Wij willen een ‘Epos van Bedreddin’.”

En zo beginnen we weer van voren af aan: de eeuwige tredmolen van het bestaan, waarvan onze verhalen een afspiegeling zijn.
Deze wijze van vertellen, met telkens ‘liedjes’ tussendoor, en veel herhaling in inhoud en vorm met de verwijzingen naar de Osmaanse geschiedenis, en dan in het bijzonder die van het volk, de gewone mensen die in armoede leven, in opstand komen, verliezen, maar weer terug zullen komen als de tijd daar is, daarmee laat hij de rode draad van de geschiedenis zien.
Voorwaarts en niet vergeten!

In hoofdstuk 14, het laatste hoofdstuk van het epos over zijn geestverwant, toont Hikmet zich de ware dichter van de Anatolische, zo je wilt, Turkse weemoedige ziel:
Yağmur çiseliyor,
korkarak
yavaş sesle
bir ihanet konuşması gibi.

Yağmur çiseliyor,
beyaz ve çıplak mürted ayaklarının
ıslak ve karanlık toprağın üstünde koşması gibi.

Yağmur çiseliyor,
Serezin esnaf çarşısında,
bir bakırcı dükkânının karşısında
Bedreddinim bir ağaca asılı.

Yağmur çiseliyor.
Gecenin geç ve yıldızsız bir saatidir.
Ve yağmurda ıslanan
yapraksız bir dalda sallanan şeyhimin çırılçıplak etidir.

Yağmur çiseliyor.
Serez çarşısı dilsiz,
Serez çarşısı kör.
Havada konuşmamanın, görmemenin kahrolası hüznü
Ve Serez çarşısı kapatmış elleriyle yüzünü.

Yağmur çiseliyor.


Gestaag daalt de regen,
angstig
zachtjes
als gefluister van verraders.

Gestaag daalt de regen,
als hollende blote witte voeten van afvalligen
over natte en donkere aarde.

Gestaag daalt de regen,
op de markt van Serez,
tegenover een kopersmid,
hangt mijn Bedreddin aan een boom.

Gestaag daalt de regen.
Het is een laat en sterreloos uur van de nacht.
En het spiernaakte vlees van mijn sjeik,
dat schommelt aan een kale tak,
is nat van de regen.

Gestaag daalt de regen.
De markt van Serez is stom,
de markt van Serez is blind.
In de lucht het vervloekte verdriet van niet spreken, van niet zien.
En de markt van Serez heeft de handen voor het gezicht geslagen.

Gestaag daalt de regen.



(Terug)