Sytske Sötemann

Artikelen etc.

Yazılar v.s.


Artikelen


 

Reisgenoten en Wijnschenkers

2007


Een voorproefje

Reisgenoten en Wijnschenkers. Osmaanse poëzie. Gekozen, ingeleid en vertaald door Sytske Sötemann, Jan Schmidt en Sander de Groot. Te verschijnen op nader te bepalen datum.

Een voorproefje. Sytske Sötemann

In het Osmaanse Rijk, dat bestond van circa 1300 tot 1923 en dat op zijn hoogtepunt vrijwel het gehele Midden Oosten, Zuidoost Europa en Noord Afrika omvatte, was de dichtkunst het meest beoefende literaire genre onder alle lagen van de bevolking. Poëzie was het middel bij uitstek om uiting te geven aan gevoelens en gedachten, terwijl men tevens iedere gelegenheid aangreep om gedichten te reciteren of onder begeleiding van de saz (langhalsluit) te zingen.
Hofdichters dichtten, behalve lofliederen voor hun mecenas, over de liefde en andere genoegens, waarbij zij de wijnschenker – die veelal de aanbeden geliefde vertegenwoordigde – telkens aanmoedigden om de bokalen opnieuw te vullen met de bedwelmende robijnrode drank. Rondtrekkende derwisjen dichtten over hun verlangen naar de eenwording met de Allerhoogste, hun voornaamste geliefde en reisgenoot. Volksdichters dichtten, behalve over de geliefde naar wie zij in den vreemde verlangden, over de ellendige omstandigheden van het volk; zij riepen op tot verzet en zochten reisgenoten op de weg naar bevrijding.
Met deze klassieke traditie ontstond een breuk toen Turkije na 1920 in een proces van versnelde culturele hervorming terecht kwam, dat onder meer een grondige taal- en alfabethervorming met zich meebracht, waardoor de premoderne literatuur moeilijk toegankelijk werd voor het grote publiek. Maar vooral sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw, en in toenemende mate gedurende het laatste decennium, verschijnen er reeksen hertalingen vergezeld van commentaar, zodat de ontstane culturele breuk enigszins lijkt te worden gedicht. Bovendien heeft de krachtige orale traditie in Turkije tot op de dag van vandaag voor de overbrugging van eeuwen gezorgd, en in het bijzonder het literaire erfgoed van de volksdichters en mystici voor de teloorgang gespaard.
 
In de bundel Reisgenoten en Wijnschenkers is bij wijze van proeverij voor de Nederlandstalige lezer en poëzieliefhebber een kleine selectie gemaakt uit de hoogtepunten van de premoderne Turkse poëzie in zijn diverse verschijningsvormen. De keuze voor een tweetalige uitgave vloeit voort uit het besef, dat het behoud van dit culturele erfgoed van eminent belang is voor deze en komende generaties. Bovendien is de Osmaanse poëzie in transcriptie goed leesbaar voor Turken in Nederland, en dat plezier zij hun van harte gegund.
De lezer van ZemZem mag even voorproeven.
 
Het populairste literaire genre ten tijde van de Osmanen was ontegenzeggelijk de gazel, gemodelleerd naar het oorspronkelijk uit het Arabisch stammende Perzische voorbeeld. Het is een kort lyrisch gedicht waarin de dichter meestal de liefde bezingt, zowel de wereldse variant ervan als de mystieke liefde tot God, waarbij ambivalentie bepaald niet ongewoon is. Wat de vorm betreft bestaat de gazel uit halfverzen (mısra) of versregels die identiek zijn in metrum en ritme, terwijl de grondslag van het gehele gedicht het dubbelvers (distichon, beyt) is, een zelfstandige eenheid naar syntaxis en inhoud. De gemiddelde lengte beslaat zo’n zes tot twaalf dubbelverzen volgens een strak monorijmschema: aa, ba, ca, da, enzovoort.. Elk dubbelvers wordt beschouwd als een parel aan een parelsnoer, en in het slotvers staat altijd de ‘handtekening’ van de dichter, die daarin zijn of haar naam noemt
 
Yunus Emre (gest. ca. 1321) geldt voor veel Turken als de meest geliefde dichter aller tijden van de tekke-poëzie (de religieuze poëzie van de soefi-orden, de islamitische mystici). Het weinige dat er over zijn leven bekend is, is overwegend gebaseerd op legendarische overlevering geconstrueerd op grond van de inhoud van de op zijn naam gestelde gedichten. Yunus was een diep religieuze, mystieke persoonlijkheid, die zich een navolger noemde van Mevlâna, wiens sterfjaar 1273 een indicatie oplevert voor de periode waarin Yunus moet hebben rondgetrokken met zijn poëzie, te meer daar hij de grote mysticus in diens woonplaats Konya zou hebben ontmoet. Volgens de populaire opvatting leefde Yunus in Sarıköy (West Anatolië), waar zich dan ook zijn grafmonument bevindt.
 
Gazel
Laat ons beiden reisgenoot zijn,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.
Laat ons samen het leven delen,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Wees jij voor mij onze ogen en oren,
laat ons op weg gaan naar de vriend,
maak je van begin tot eind geen zorgen,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Laat ons niet in deze wereld geloven,
laat de vergankelijke ons niet misleiden,
laat ons niet van elkaar scheiden,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Niet deze wereld is immers eeuwig,
doe je ogen open en wek je ziel,
wees voor ons reisgenoot en geliefde,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Laat ons nu deze wereld verlaten,
laat ons vliegen naar het rijk van de vriend,
laat ons uit hartstocht de aarde ontstijgen,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Eer het doodsbericht ons bereikt,
eer de dood ons in de kraag grijpt,
eer de doodsengel zijn aanval doet,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Laat ons de ware liefde aanschouwen,
laat ons het goddelijk bericht vernemen,
laat ons de minnaar Yunus vinden,
kom naar de vriend, laat ons gaan mijn lief.

Ahmed Paşa (gest. 1497) werd in 1451 benoemd tot kadi in zijn geboortestad Edirne. In de loop van zijn verdere leven volgden dankzij de sultans Mehmed II en Bayezid II nog diverse hogere functies. Daarnaast was hij in zijn tijd een vooraanstaand dichter, wiens werk, dat gespeend is van enige mystieke inspiratie en zich vooral met wereldse zaken bezighoudt, werd gelezen en nagevolgd tot in Centraal-Azië.

Gazel
Mijn schaduw zou de maan in de hemel als de zon verlichten,
als ik eens een dag in jouw nabijheid was, maanschone cipres.

Je haar hing in de rozentuin van de geliefde een blad in verwarring,
je geest strooide in de aarde van het hart een zaadje tegen elke ramp.

Als jij je wenkbrauwen fronst breng je de wereld aan het huilen,
havent de regen die met muskus bestofte snaar niet al te zeer?

Laat de loochenaar de geestelijke rust in het hart niet bedreigen,
die ketter kwetste immers al de wereldweerspiegelende kelk.

Voorheen week ik nog geen uur van jouw zijde, maanschone,
nu heeft de scheiding van de zonnewang twee manen bereikt.

Bij aanvang hoopte ik vanwege jou genotvolle tijden te beleven,
allengs werd duidelijk dat in de zon geen schaduw kan bestaan.

Hij, die mij in de nacht van je haar mijn hart zag geven aan je wang,
zegt dat een Kalender* in Marokko een spiegel hield voor de maan.*

Toen Jozef werd verkocht, werd hij met echte muskus gewogen,
weegt men jou met de ziel, dan staat er geen waarde tegenover.

Zie de regen van mijn tranen, zie die boom der verleiding,
hoe hij zijn schaduw wierp over de rank van de cipres.

Het hart wordt niet verlicht als geen pijl het doorboort,
Ahmed, een huis zonder raam heeft behoefte aan licht.

* De islamitische zwervende bedelmonnik annex losbol, die het niet zo nauw neemt met de Wet van de Islam.
* De maan is het gelaat van de geliefde in wier zwarte haar de minnaar zich al kussend verbergt, en zodoende het maangelaat onzichtbaar maakt.

Fakiri (eerste helft 16e eeuw), over wie zo goed als niets bekend is, was afkomstig uit de omgeving van Skopje. Hij was gespecialiseerd in het wat lichtere, humoristische genre en was de auteur van een ‘Boek der beschrijvingen’ met veelal karikaturale typeringen van ambtenaren, handwerkslieden en andere Osmaanse types.
Satirische beschrijvingen

De Arabier
De Arabier is iemand die altijd en eeuwig cannabis eet,
hongerig zijn harpje bespeelt, en van geen ophouden weet.
Hij loopt rond met zijn wierookvat en verzamelt geld,*
of wichelt zand in Tahtakale* in het open veld.
Hij gaat langs iedere deur en zegt in zijn taal:
Ach heer, geef me een cent of anders een bonenmaal.

De Turk
Wist jij hoe een Turk zich onderscheidde, op en top?
Hij heeft bont op zijn rug en vilt op zijn kop.
Hij kent geen leerschool, noch religie of devotie,
zelfs zijn gezicht wast hij niet voor de prosternatie.
Zo staat hij algemeen bekend, en de gelovigen bezweren:
God hoede ons voor zulke boeren en ongelikte beren!

* De Arabieren stonden in het oude Istanbul bekend (en werden bespot en verjaagd) als bedelaars.
* Een wijk in Istanbul waar zich bij uitstek Arabische immigranten vestigden.

Baki (1526-1600) werd als zoon van een muezzin geboren in Istanbul onder zijn eigenlijke naam Mahmud Abdül Baki. Hij kreeg de gelegenheid om te studeren bij de beste professoren van zijn tijd, waardoor hij carrière kon maken in de islamhiërarchie. Hij was hofdichter tijdens de bloeiperiode van het Osmaanse Rijk onder Sultan Süleyman II (beter bekend als de Grote, Prachtlievende of Wetgevende), en bekleedde talrijke hoge functies. Hij schreef over allerhande religieuze en historische onderwerpen, en maakte vertalingen van Arabische theologische werken. In zijn dichtwerk ontbreekt het echter meestal aan enige vorm van religiositeit. Met zijn specialiteiten, de kaside (lofdicht) en de gazel, verwierf hij alom grote roem.

Gazel
Taal noch teken restte er van het voorjaarsschoon,
op het gras viel het blad uit de gratie van de boom.

De bomen omhingen zich met mantels in derwisjtrant,
de herfstwind nam op het gras de plataan bij de hand.

Van alle zijden stroomt het goud toe rond de voeten
van de bomen die de hulp van de beek graag begroeten.

Laat op het gras de vandaag van blad en vrucht
bevrijde twijg blijven wiegen in de ochtendlucht.

Baki, op het gras zijn de bladeren de verwarring nabij,
als doen zij hun beklag over de wind en het getij.

Karacaoğlan (ca. 1606- ca. 1679), deze zwervende Turkse volksdichter, heeft zo’n vijfhonderd gedichten in het lettergreeptellend metrum van de volkspoëzie op zijn naam staan, onder meer in de vorm van een epos. Het idioom is onberoerd door Arabische of Perzische invloeden, en mystiek ontbreekt evenzeer. De dichter is een vertolker van de authentieke Turkse volkszang die begeleid pleegt te worden door de langhalsluit (saz). Zijn poëzie was wijd en zijd bekend en geliefd, en circuleerde door het Turkse taalgebied, van Macedonië via Anatolië tot in Azerbeidzjaan en de Krim. De moderne nationalistische volksdichters van de twintigste eeuw zien in hem hun voorbeeld.

Gazel
Dood, maak je niet druk, achtervolg me niet,
verdwijn dood, kom een andere keer terug.
Je zult me ten slotte te pakken krijgen,
verdwijn dood, kom een andere keer terug.

Was je weer al je tijd aan het verspillen,
terwijl ik je ontvluchtte, rond dwalend
op de zomerweiden, al etend en drinkend?
Verdwijn dood, kom een andere keer terug.

Ik kon niet meehuilen met de wolven in het bos.
Leugenachtige wereld, ik kon je niet vervloeken.
Ik kon mijn vrouw en vriend niet ontmoeten.
Verdwijn dood, kom een andere keer terug.

Het is nog veel erger zei ik, aldus Karacaoğlan.
In de tuinen zingen de nachtegalen hun klaaglied.
Gisteren nam je mijn vader en moeder, het is genoeg.
Verdwijn dood, kom een andere keer terug.

Nedim (ca. 1681-1730) werd als Mehmed en zoon van een kadi geboren in Istanbul, waar hij na zijn studie voor islamitisch schriftgeleerde, in 1725 werd aangesteld als kadi bij een rechtbank. Hij behoorde tot de kring van bekende persoonlijkheden rond het hof van Sultan Ahmed III, werd onder meer benoemd tot docent aan diverse islam-hogescholen en vertaalde uit het Arabisch belangrijke historische werken. Hij bevrijdde de divan-poëzie van een aantal conventies door beschrijvingen van de eigentijdse omgeving in zijn gedichten op te nemen en een lokaal taalgebruik toe te passen dat gemakkelijk in het gehoor lag. Zijn areligieuze, lichtvoetige lyriek vol levensgenot, vrouwen en wijn maken Nedim tot een van de nu nog meest geliefde divan-dichters.

Lied
Laten wij oude liefdes schoeien op nieuwe leest,
jij met je maansikkelbrauwen, kom naar ons feest.
Laten wij je doen stralen met een parelend glas wijn,
jij met je maansikkelbrauwen, kom naar ons feest.

Mijn hart bloedde voor jouw bedwelmende ogen,
jouw wenkbrauwen zijn de dolken waar ik in viel.
Ik bezweer je op je mooie hoofd, vergeet ons niet,
jij met je maansikkelbrauwen, kom naar ons feest.

Deze zieke ziel weende al genoeg om jouw afwezigheid,
jouw beeltenis bezorgde mij al genoeg gezucht en gesteun.
Alsjeblieft maak ons gelukkig, al was het maar een dag,
jij met je maansikkelbrauwen, kom naar ons feest.

Het hart verlangt naar ons gesprek, het smacht ernaar.
Ons verlangen hunkert naar je lichtend gelaat, voorwaar.
Een dagje Tophane* in Ramadan, mooier bestaat er niet,
jij met je maansikkelbrauwen, kom naar ons feest.

Moge de rozentuin je gelaat aan ons banket benijden.
Mogen je robijnen lippen vol zoetheid en je lach klaterend zijn.
Betuig geen spijt, moge hij voor jou, Nedim, een offerdier zijn,
jij met je maansikkelbrauwen, kom naar ons feest.

* Wijk van Istanbul, mooi gelegen aan de Bosporus.

Yahya Kemal Beyatlı (1884-1958) werd geboren in Skopje, het Osmaanse Üsküp in Macedonië, en overleed in Istanbul. Deze eerste moderne dichter in de Turkse poëzie van de twintigste eeuw, die tot de meest geliefde dichters van Turkije behoort, was thuis nog opgevoed in de grote Osmaanse traditie. Pas in Parijs, waar hij vanaf zijn achttiende tien jaar verbleef, leerde hij de nieuwe Westerse dichtkunst kennen. Maar niet alleen de Franse cultuur beschouwde Kemal als een leerschool, zijn eigen Turkse erfenis was hem minstens even dierbaar. Als jonge dichter maakte hij zich dan ook door oefening de klassiek-Osmaanse poëzie eigen, evenals de kwatrijnen van de Perzische dichter Omar Khayyam, om vervolgens zelf gelijksoortige gedichten te schrijven. Daarvan volgt hier bij wijze van een vaarwel aan de Osmaanse poëzie een voorbeeld.

Vaarwelgazel
Moge van het leven die eindige bedwelming voltooid zijn, gezellen.
Moge dat laatste samenzijn dronk na dronk vervuld zijn, gezellen.

In dank zeggen wij de kelk der vergankelijkheid vaarwel.
Mogen onze opvolgers onze laatste raad aanvaarden, gezellen.

Mogen de zielen die in de wereld gelukkig zijn vanwege dit elixer,
in de volgende wereld ook eeuwige dronkenschap genieten, gezellen.

Mogen toch iedere nacht in het goddelijk wijnhuis
de geliefden weer de nobele hedonisten zijn, gezellen.

Wij komen opnieuw bijeen op dat eeuwige feestmaal.
Laat de vrienden die eerder gingen groeten, gezellen.



(Terug)