Sytske Sötemann

Artikelen etc.

Yazılar v.s.


Artikelen


 

De tulp in Osmaanse poëzie

2012
Dronten
De Spiegeltent

Voordacht t.b.v. XLFestival 2012

Ten geleide: Na een als altijd bevlogen en inspirerend optreden van Ramsey Nasr - het deel voor de pauze van deze literaire festivalavond was bestemd voor de Dichter des Vaderlands - kwam, na een verkoelend pauzedrankje, de Osmaanse poëzie aan bod. Het ondanks de hitte aanwezige en belangstellende publiek had – overigens begrijpelijkerwijs – nog nooit van dergelijke poëzie gehoord. Wat die vreemde eend dan in de bijt van dit festival te zoeken had werd gelukkig al enigszins uiteengezet bij de introductie van de avond. De bloem waaraan dit festival zijn thema had ontleend, namelijk de tulp, was aan het eind van de 16e eeuw via Turkije in Nederland terechtgekomen; en dus zou poëzie uit die periode en die regio hier wel degelijk op zijn plaats zijn. Hoewel de meesten onder ons inmiddels weten dat de Sint niet van Spaanse oorsprong is en dat tulpen niet uit Amsterdam komen, moeten we er toch vanuit gaan dat we ondanks de vierhonderd-jarige diplomatieke betrekkingen tussen Turkije en Nederland die dit jaar gevierd worden, niet goed op de hoogte zijn van de geschiedenis en cultuur van Turkije, het vroegere Osmaanse Rijk. Daarom volgt eerst een kleine inleiding, zodat de gedichten straks hopelijk minder vreemd overkomen.

Inleiding
Teneinde een volledig beeld te krijgen van de Osmaans-Turkse literatuur-geschiedenis, dient men zich te realiseren dat er in een gebied dat zich uitstrekte van Belgrado in het Westen tot Herat in Afghanistan, van Algiers en Cairo tot op de Krim, en tot in Bagdad in het Turks werd geschreven. In Bosnië, Macedonië, Albanië, Griekenland, Bulgarije, Syrië, Egypte en het Arabisch schiereiland bestonden cultuurcentra die een Turkse literaire productie van betekenis hebben geleverd. De geschiedenis van de pre-moderne Turkse poëzie kent dus een eigen geografie, die niet samenvalt met die van Turkije of welke hedendaagse staat dan ook.
In het Osmaanse Rijk, dat bestond van circa 1300 tot 1923, was de dicht-kunst het meest beoefende literaire genre onder alle lagen van de bevolking. Het was het middel bij uitstek om uiting te geven aan gevoelens en gedachten, terwijl men tevens iedere gelegenheid aangreep om gedichten te reciteren of onder begeleiding van de saz (langhalsluit) te zingen.
 

De Osmaans-Turkse poëzie valt grofweg als volgt in te delen:
1. De Divan-poëzie of hofpoëzie is de klassieke dichtkunst van de sociaal-culturele Osmaanse elite. Divan verwijst naar het ‘verzameld dichtwerk’ van een dichter, dat door hemzelf, zijn bewonderaars of erven werd samen-gesteld, de zogenaamde divan. En hof verwijst naar het milieu waarin deze poëzie werd voortgebracht, namelijk het hof van de Osmaanse sultans en de paleiselijke huizen van de hoogwaardigheidsbekleders.
2. De mystieke tekke-poëzie vormt in artistiek en sociaal-cultureel opzicht als het ware een verbinding tussen de traditie van de elite en het volk, tussen de divan-poëzie en de volkspoëzie, en niet alleen door de mondelinge overlevering, maar tevens door het half populaire en half elitaire taalgebruik. Deze poëzie werd en wordt geschreven door soefi’s, ofwel derwisjen, de leden van de vanouds wijdverbreide mystieke orden die hun geestelijk leven beoefenen in de tekkes, waarvan de Mevlevi en de Bektasji tot de bekendste behoren.
3. De Volkspoëzie is vanaf de dertiende tot in de negentiende eeuw mondeling overgeleverd in de spreektaal, en later op schrift gesteld.
Tot op de dag van vandaag is die in Turkije zeer geliefd en vormt een geweldige inspiratiebron voor Turkse zangers van zeer diverse pluimage. Mede dankzij het gebruik van de Turkse spreektaal, kon deze poëzie eeuwenlang mondeling worden overgeleverd en verbreid onder het volk.

De hofdichters dichtten, naast lofliederen voor hun mecenas, over de liefde en andere genoegens, waarbij zij de wijnschenker – die veelal de aanbeden geliefde vertegenwoordigde – telkens aanmoedigden om de bokalen opnieuw te vullen met de bedwelmende robijnrode drank.

De rondtrekkende derwisjen dichtten over hun verlangen naar de eenwording met de Allerhoogste, hun voornaamste geliefde en reisgenoot.

De volksdichters dichtten, behalve over de geliefde naar wie zij in den vreemde verlangden, over de ellendige omstandigheden van het volk; zij riepen op tot verzet en zochten reisgenoten op de weg naar bevrijding.

De beeldspraak en de motieven waren gebonden aan strenge regels die overeenkwamen met die van de Arabische en Perzische literaire traditie. Binnen één dubbelvers behoren de onderwerpen verbonden te zijn door één beeld. Zodra de wijnschenker wordt opgevoerd, volgen de rondgaande bokaal, de rode wijn en de dronkenschap.
Daarenboven gebruikten de dichters als het ware vaste decors, zoals de woestijn met zijn flora en fauna; de kloosterruïne met zijn jonge monniken, alias beminnelijke, al dan niet vrijgevige, schone wijnschenkers; de lentetuin met de nimmer afwijkende bloemen en bloeiwijzen; de in klatergoud gehulde herfsttuin, bij gelegenheid bevolkt door beroemde liefdesparen; en het almaar toegepaste cliché van de afwijzende geliefde met de oogwimpers, die als pijlen door de boog van de wenkbrauwen in het hart van de immer ongelukkige minnaar worden geschoten.
Hoewel het Turks geen geslacht kent en ambivalentie hier dus op de loer ligt, is de geliefde naar wie zo hartstochtelijk wordt verlangd, vrijwel altijd een mooie jonge jongen. Vaak valt niet zondermeer uit te maken of de liefde hemels is dan wel aards, meestal geeft het algemene karakter van het werk van een bepaalde dichter in zulke gevallen uitsluitsel.
De beeldspraak berustte op een geïdealiseerde natuur, vol figuren die schijn en werkelijkheid vertolken. Belangrijke rollen zijn weggelegd voor de robijn bij de mineralen, voor (op de eerste plaats) de roos, de ‘narcis’ (d.w.z. de goudsbloem met zijn door liefde verbrande zwarte hart) en de tulp bij de bloemen, voor de cipres als voornaamste bij de bomen, voor de nachtegaal (de klagende minnaar), de duif en de papegaai bij de vogels. Ook het beeld van de verborgen parel is zeer gewild.
Bovendien is de beeldspraak vaak een woordenspel met kleur: het rood van de roos, de tulp en de robijn, het geel van de goudsbloem, het wit van water en zilver, het zwart van muskus.
Rozen, tulpen of robijnen verwijzen naar een blos op de wangen, naar de lippen of naar het bloed dat uit het door liefdespijlen verwonde hart stroomt. De cipres staat voor de slanke gestalte van de geliefde met haar/zijn wiegende gang als de boom in de wind. Boven de cipres hangt de volle maan, die het volronde gelaat van de geliefde verbeeldt. De cipres, bekroond door de maan, bevindt zich nogal eens op een zandheuvel, het ideale brede ‘onderstel’ van de geliefde, die als een heidens afgodsbeeld kan worden vereerd. En gelijk de nachtegaal zingt de dichter zijn geliefde roos toe.

Het wereldbeeld van de Turkse dichters ging terug op dat van de Klassieke Oudheid, waarin de wereld is opgebouwd uit vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Rond de aarde is in concentrische cirkels het stelsel van de negen hemelse sferen gesitueerd, met de zon, de maan de planeten en de vaste sterren.
Dit wereldbeeld bevatte vanzelfsprekend ook elementen die aan de Koran en de hadith, de traditionele kennis over het gedrag en de ideeën van de Profeet Mohammed, zijn ontleend. Naast de Profeet, diens familieleden, naaste volgers en opvolgers verschijnen gemeenschappelijk bekenden als Adam, Noach (Nuh), Abraham (Halil İbrahim), Mozes (Musa), Salomo (Süleyman), Jezus (İsa) en Maria (Meryem).

Tegen het einde van de negentiende eeuw gaat echter de invloed van het Westen de cultuur, inclusief de literatuur, van het Midden-Oosten overheersen. Er ontstaat een breuk met de klassieke traditie als Turkije na 1920 in een proces van versnelde culturele hervorming geraakt, dat onder meer in 1928 een grondige taal- en alfabethervorming met zich meebrengt. De premoderne literatuur werd daardoor moeilijk toegankelijk voor het grote publiek. Maar vooral sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw, en in toenemende mate gedurende het laatste decennium, verschijnen er reeksen hertalingen vergezeld van commentaar, zodat de ontstane culturele breuk enigszins lijkt te worden gedicht.
Bovendien heeft de krachtige orale traditie in Turkije tot op de dag van vandaag in het bijzonder het literaire erfgoed van de volksdichters en mystici voor de teloorgang gespaard.

Van een dergelijke rijke cultuur, naast de dankzij eerdere vertalingen beter bekende Perzische en Arabische, heeft men in Nederland tot op heden, ondanks de toenemende belangstelling voor Turkije, nauwelijks kunnen kennis nemen, laat staan genieten. Daarin komt hopelijk enige verandering met de publicatie van Reisgenoten & Wijnschenkers - Osmaanse poëzie, die in het najaar 2012 is voorzien en waaraan ook deze inleiding is ontleend.
Zie tevens mijn website: www.sytskesotemann.nl

Bij de keuze voor dit festival heb ik me laten leiden door de tulp en ben daardoor vooral bij gazels uitgekomen.
Dat was de populairste dichtvorm bij de divan-dichters, gemodelleerd naar het Perzische voorbeeld van dit eveneens oorspronkelijk Arabische genre. Het is een kort lyrisch gedicht, een ‘vrije productie’ van zo’n zes tot twaalf dubbelverzen, waarin de dichter meestal de liefde bezingt, zowel de wereldse variant ervan als de mystieke liefde tot God, waarbij ambivalentie bepaald niet ongewoon is.
Elk dubbelvers van de gazel wordt beschouwd als een parel aan een parelsnoer, terwijl in het slotvers altijd de ‘handtekening’ staat van de dichter, die daarin zijn, of heel soms haar, naam noemt.

Vertalingen
Bij wijze van opening volgt eerst een gazel van een beroemde dichter uit de twintigste eeuw, die zich, zoals veel van zijn collega's, de kunst van het dichten onder meer eigen maakte door te oefenen met de klassieke vormen.

 
Yahya Kemal Beyatlı (1884-1958)

Een wijnschenker

Die tavernejongen ontmoette hij in de Tulpentijd,
Een laatste kelk voor zijn bewonderaars in die tijd.

Nog geen zestien was die versierder van Sa’dabad,*
Toen hij de wereld overgaf aan verwarring in die tijd.

Zijn taal gold als voorbeeld voor het dialect van Shiraz,
De taal der elite in het perzofiele Rum** van die tijd.

Hij onderscheidde zich niet, naar verluid, van een
Wijnschenker rond de troon van Djemsjid*** in die tijd.

Kemal, in dat Paradijselijk Paviljoen**** kwam hij één
Nacht samen met die tavernejongen in de Tulpentijd.


* Het buitenpaleis van de sultan aan de punt van de Gouden Hoorn, waaraan men in de Tulpentijd die naam heeft gegeven.
** Rum (Turks voor ‘Rome’, en vandaar afgeleid: Griekenland) is het door de Turken op de Byzantijnen, (Oost-)Romeinen, veroverde land van Anatolië.
*** Djem, Turks Cem (Djem, Djemsjid) is een mythische held die wel de uitvinder van de wijn wordt genoemd. Zijn symbool is de ‘Beker van Djem’ (cam-ı cem).
**** Een van de paviljoenen in de tuinen van het Topkapı-paleis.


Fuzuli (ca. 1480-1556)

Gazel

VI


De vriend is onverschillig, het lot onbarmhartig, de tijd vol verwarring.
Het leed is groot, geen deelgenoot, de vijand sterk, het geluk in verdrukking.

Vervlogen is de schaduw der hoop, de zon van verlangen brandt fel.
Hoog is de mate van tegenspoed, laag de graad van leniging.

De rede verleent weinig bijstand, almaar luider klinkt de hoon.
Fortuna toont weinig mededogen, almaar heviger is liefdes aandoening.

Ik ben een vreemde in het land, het pad naar vereniging is vol verwarring en bedrog.
Ik ben een man van onschuld, terwijl de wereld rijk is aan bekoorlijke versiering.

Elk vertoon van een ranke schone leidt tot een stromen van rampspoeds zondvloed,
Elke maanvormige wenkbrauw zet aan tot een waanzinnige kalligrafische tekening.

Zo onvast als het tulpenblad in de wind, is de kalmte der kennis.
Averechts is de invloed van fortuin, in het water de cipressenspiegeling.

Tot de grens waarnaar ik smacht, leidt een weg vol onheil,
Tot de beoogde pleisterplaats, een pad vol beproeving en ontbering.

De verlangde jongeling, schoon als een harpmelodie, verschuilt zich achter de sluier.
De beker van het drinkgelag verwekt in de zuivere belletjes van de wijn een schittering.

Scheiding is gegeven, de weg naar het land van eenheid vreeswekkend.
Ach wat valt er te doen, mij staat ten slotte geen gids ter beschikking.

Rode tranen stromen over Fuzuli’s bleke gelaat.
Zie hoe het kleurt door de azuren hemelwelving.


Baki (1526-1600)

Gazel

III


In de rozentuin kroont de tulp zich met het rood van robijn,
Glanst een kelk in de hand van de narcis zijn gouden schijn.

De fris bedauwde knop is in het gras ontloken,
Legde in een doek van rozen de blaadjes zo fijn.

De hemel wentelt zich rondom de wereldtuin,
Tooide haar in een pauwenveren kleurfestijn.

De wereld geurt naar de muskus van het Chinese dier,
In het teken van de ram vindt de gazelle haar domein.

Het gras golft als een zee, de dauwdruppels
In de roos parelen als in een oester hun koninklijke schijn.

O Baki, wees met de nachtegalen in het ochtendgloren,
Loof duizendmaal God in Zijn eeuwige zijn.


Gazel

VII


De tulpenwangigen gingen uit wandelen in de bloemenvelden – her en der,
Ze dwaalden in tuinen en weiden en gaven hun ogen de kost – her en der.

De stroompjes zijn verliefd op jouw schone gelaat, voorzeker,
O rijzige cipres, slingerend zijn ze op zoek naar jou – her en der.

Het onheilsleger sloeg in troepen zijn kamp op in de stad van het hart,
Daar braken rebellie, verwarring en gevechten uit – her en der.

De door wenen ontstane rivier van mijn tranen stroomde naar gene zijde,
Als een zee kolkte deze oceaan wederom, wild bruisend – her en der.

Zolang de poëzie van Baki uitvloeit over de zeven continenten,
Behoort dit stralende vers te worden voorgedragen – her en der.


Fragment uit: Elegie op de dood van Sultan Süleyman Khan

O voetgekluisterde in de klem van roem en schaamte,
Hoe lang nog vervult u de zorg om de nimmer dralende aardse tijd?

Gedenk de dag waarop de lente des levens ten einde loopt,
Wanneer de tulpenkleurige wang moet verkeren in herfstblad,

Wanneer uw laatste verblijfplaats als een hand gruis zal zijn,
Wanneer uit de hand van het lot de steen valt in het levensglas.


Şeyh Galib (1757-1797)

Gazel

II


Jij bent mijn heer, als ik in de wereld enig respect ondervind, dank ik dat aan jou.
Als ik onder de minnaars in enige mate beroemd ben, dank ik dat aan jou.

Je bent de schat van mijn leven, ofwel, je bent mijn geest en mijn ziel.
Als ik van het fortuin in mijn leven enig gewin heb, dank ik dat aan jou.

De kleur van je schoonheid geeft aan deze vorm van mijn illusies de schittering.
Als mijn lente in de rozentuin van mijn verbeelding bestaat, dank ik dat aan jou.

Toen jij regeerde ervoer ik zelfs niet het geringste beetje pijn.
Als ik zucht en ween, o stralende zon, dank ik dat aan jou.

Ik ben jouw vlinder van de scheiding, jij bent de kaars van de vereniging.
Als ik elke avond verlang naar een kus, een omhelzing, dank ik dat aan jou.

Ik was de martelaar der liefde, mijn boezem een bloedende tulpentuin.
Als bij mijn tombe een lantaarn brandt, bij mijn graf een kaars, dank ik dat aan jou.

Hij die mij dol van liefde ziet, verbeeldt zich een woeste steppewind.
Als ik, behalve een en al vernietiging, iets ben, dank ik dat aan jou.

Waarom heb je mij verstoten terwijl ik je kogelronde parel was.
Als er op de spiegel van mijn hart een stofje zit, dank ik dat aan jou.

Wijnschenker, met bloedwater liet je mijn bokaal schitteren als de ochtendstond.
Als ik dronken ben op de ochtend na het wijnfeest, dank ik dat aan jou.

O verheven Mevlâna,* alleen bij jou zoekt Galib zijn toevlucht.
Als mijn hoofd getooid is met een kroon van eer, dank ik dat aan jou.


* De grote Perzische mysticus Djelalettin Rumi (gest.1273), die vooral vanwege zijn mystieke leerdicht, de Mesnevi, beroemd werd onder zijn eretitel Mevlâna (‘Onze heer’). 


Tot slot een tulpenloos gazel van Baki, omdat het zo mooi is.

Gazel

I


Taal noch teken restte er van het voorjaarsschoon,
Op het gras viel het blad uit de gratie van de boom.

De bomen omhingen zich met mantels in derwisjtrant,
De herfstwind nam op het gras de plataan bij de hand.

Van alle zijden stroomt het goud toe rond de voeten
Van de bomen die de hulp van de beek graag begroeten.

Laat op het gras de vandaag van blad en vrucht
Bevrijde twijg blijven wiegen in de ochtendlucht.

Baki, op het gras zijn de bladeren de verwarring nabij,
Als doen zij hun beklag over de wind en het getij.


Sytske Sötemann
Mei 2012




(Terug)